Vruchtbaarheid

Vruchtbaarheid

Vruchtbaarheid is bij melkkoeien al jaren een belangrijke reden om dieren “op te ruimen”: dieren worden niet meer drachtig, of verwerpen een kalf en zijn daarom niet meer geschikt om aan te houden. Slechte of suboptimale vruchtbaarheid als individueel probleem of als bedrijfsprobleem is echter vaak wel (goed) te behandelen.

Het verbeteren van de vruchtbaarheid op bedrijfsniveau
Met behulp van gegevens uit de MPR (zie ook “bedrijfsbegeleiding”) kunnen we zien hoe het met de vruchtbaarheid van de koeien op een bedrijf gesteld is. We kijken dan met name naar de (verwachte) tussenkalftijd (TKT), aantal inseminaties per geïnsemineerde koe/pink en de (verwachte) afklafleeftijd van de vaarzen (VALVA). Het is wel belangrijk dat u als veehouder (samen met ons) bepaalt wat u een optimale tussenkalftijd en afkalfleeftijd van de vaarzen vindt. Economisch is daarbij niet altijd hetzelfde als optimaal, een ALVA van 22 maanden kan (zeker met de huidige fosfaatregelgeving) economisch weliswaar gunstig zijn, maar past lang niet bij alle veehouders en managementsystemen. Voor een tussenkalftijd van 380 dagen geldt eigenlijk precies hetzelfde.

Als u als veehouder niet tevreden bent over één of meer van de vruchtbaarheidskengetallen, kunnen we verder gaan kijken naar de oorzaken.
Als er te veel inseminaties nodig zijn om de koeien drachtig te maken, gaan we met name kijken wanneer dieren geïnsemineerd worden en welke dieren specifiek te veel inseminaties nodig hebben. We kunnen daarna besluiten om dieren lichamelijk te onderzoek of algemene vruchtbaarheidstips te geven.
Als de tussenkalftijd te lang is, maar er niet per se te veel inseminaties nodig zijn om koeien drachtig te krijgen, kunnen er verschillende oorzaken zijn. De meest voorkomende oorzaken zijn:

  • Te lang wachten voordat dieren geïnsemineerd worden, “bewust”, of omdat dieren de tocht slecht laten zien. In beide gevallen kunnen we met specifieke tips voor uw bedrijf en door dieren regelmatig rectaal te onderzoeken, het probleem meestal vrij makkelijk oplossen.
  • Dieren die van een eerste inseminatie niet drachtig worden, lopen te lang uit doordat ze niet de volgende tocht alweer geïnsemineerd worden. Soms gaat het om dieren die niet gezien worden als ze 21 dagen later weer tochtig zijn, maar soms gaat het voornamelijk om dieren die in eerste instantie drachtig zijn, maar waarbij “vroeg embryonale sterfte” optreedt (bijvoorbeeld door infectieuze aandoeningen). Het is belangrijk om vast te stellen wat het probleem is op een specifiek bedrijf.
    Ook dit probleem kunnen we meestal samen met u goed oplossen.
  • Een select groepje dieren loopt opvallend lang uit en zorgen daardoor dat de gemiddelde tussenkalftijd heel lang wordt. In dat geval gaat het meestal om een paar dieren die we ofwel “bewust gust” kunnen verklaren (zo wordt het beeld niet meer vertroebeld) of die we kunnen behandelen voor een individueel probleem.

Het is dus heel belangrijk om eerst de cijfers goed te bestuderen voordat we een plan van aanpak maken. Soms is een enkele keer ingrijpen alweer voldoende voor een goed resultaat. Soms is langer begeleiden nodig.
Bij de vruchtbaarheidsbegeleiding kunnen wij voor u (nadat we samen de doelen vastgesteld hebben) ook bijhouden welke dieren wanneer rectaal onderzocht moeten worden om een optimaal resultaat te behalen. Vaak is het makkelijk om dan een standaard dag en tijd af te spreken (bijvoorbeeld iedere twee of juist vier weken) waarop wij koeien komen “voelen”.

Problemen bij individuele dieren
Een vruchtbaarheidsprobleem bij het individuele dier is totaal anders dan een bedrijfsprobleem. Meestal gaat het om dieren die niet tochtig gezien worden, maar ook bij dieren die te vaak geïnsemineerd zijn zonder resultaat kunnen we vaak veel meer betekenen dan mensen denken.
We voeren eigenlijk altijd een rectaal onderzoek uit bij dieren die niet tochtig gezien worden, de meest voorkomende oorzaken zijn:

  • “Stille tocht”: dieren zijn in cyclus, maar laten de tocht slecht/niet zien. We kunnen deze dieren behandelen met hormonen zodat het tijdstip van de eerstvolgende tocht vaststaat, of inschatten hoe lang het nog gaat duren voordat de volgende tocht optreedt. Soms adviseren wij een passend hulpmiddel om bij dat individuele dier de tocht beter waar te nemen (bijvoorbeeld “Kamar heat detector”).
  • “Cysteus”: de eierstokken zijn afwijkend en een normale tocht zal niet optreden zonder ingrijpen. We kunnen deze dieren (afhankelijk van de situatie en het soort cyste) behandelen met verschillende hormonen.
  • “Inactief”: de eierstokken zijn niet actief en hormonen zijn nodig om de cyclus op gang te brengen.
  • Dracht: met enige regelmaat komen wij dieren tegen die onverwacht toch drachtig blijken. Een inseminatie is niet geregistreerd, of een (ontsnapte) stier heeft het dier ongemerkt gedekt.

Een ander probleem is als dieren wel tochtig zijn, maar na herhaaldelijke inseminatie niet drachtig worden. Ook dan is een lichamelijk onderzoek noodzakelijk, soms is sprake van een afwijkende bouw van het reproductie-apparaat:

  • Vergroeiingen aan de eierstokken en/of eileiders: dieren zijn normaal tochtig, maar omdat het eitje nooit de baarmoeder bereikt, kan een dracht nooit ontstaan.
    Bij deze dieren kunnen wij een laatste-kans-embryo plaatsen, de resultaten zijn over het algemeen goed.
  • Een afwijkende ligging/stand van de vulva en vagina, waardoor lucht en/of urine in de vagina (en dus tegen de baarmoedermond aan) blijft staan (“luchtzuiger”) . Als de koe tochtig is en geïnsemineerd wordt, is de baarmoedermond wat week en loopt urine (en ander vuil) de baarmoeder in. Het (grootste deel van) het sperma sterft dan door het vuil in de baarmoeder. Als er voldoende sperma blijft leven om het eitje te bevruchten, komt het embryo uiteindelijk vaak in een besmette baarmoeder aan, waar innesteling dan niet mogelijk is.
    Soms is het voldoende om bij inseminatie een extra hoesje aan te brengen om de pipet waardoor het sperma veiliger in de baarmoeder aankomt. Ook het “nabehandelen” met metricure 24 uur na inseminatie kan helpen, omdat een eventueel embryo dan niet in een ontstoken baarmoeder aankomt.
    Als dat niet voldoende is of lijkt, is het vaak goed mogelijk om de afwijking aan de vulva te corrigeren, door middel van een kleine chirurgische ingreep.
    Tot slot is ook bij deze dieren het plaatsen van een laatste-kans-embryo vaak een goede oplossing: een embryo wordt niet tijdens de tocht geplaats, maar zeven dagen later, als de baarmoedermond alweer goed gesloten is en de baarmoeder een schone en veilige omgeving is.
  • Een slechte eisprong of slechte ontwikkeling van het geel lichaam (de structuur op de eierstok die zorgt dat de dracht ondersteund wordt door het lichaam). Deze problemen zijn met hormoonpreparaten soms op te lossen.
    Het is belangrijk om op tijd te signaleren dat een dier te veel inseminaties nodig heeft, zodat dieren niet al te ver uitlopen. Een dier dat voor de vierde keer geïnsemineerd moet worden, kunt u beter aanbieden op het moment dat u de voortocht signaleert. We kunnen dan nog vlak voor de vierde inseminatie ingrijpen om de kans op een dracht te vergroten.

Als u vragen heeft over de vruchtbaarheid van koeien op uw bedrijf, of als u problemen bemerkt bij individuele koeien, kunt u altijd contact opnemen met onze praktijk.
Bij voorkeur tijdens het telefonisch spreekuur, van maandag tot en met zaterdag van 8:00 uur tot 9:00 uur, onze landbouwhuisdierenartsen zitten dan klaar om u te woord te staan (telefoonnummer: 0488-482900, optie 1: landbouwhuisdieren).

Uw dier in goede handen

Onze veeartsen dragen zorg voor de behandeling van zieke runderen, varkens, geiten, schapen en pluimvee. Tevens bieden zij professionele bedrijfsbegeleiding. Ons werkgebied omvat de Betuwe en Rhenen.

Voor het maken van afspraken kunt u van maandag tot en met zaterdag bellen tussen 8 en 9 uur ’s ochtends: 0488-482900. Voor spoedgevallen zijn wij 24 uur per dag en 7 dagen per week bereikbaar op 0488-482900  (optie 1, landbouwhuisdieren).